Sake Stoppels – Voor de verandering (2009)

[LEES IN 6 MINUTEN]

Sake Stoppels schrijft over het proces van permanente verandering van de gemeente in haar groei in navolging van Christus, dat wil zeggen groei in de relatie met God (Verborgen omgang), met de buitenwereld of samenleving (Dienst) en met elkaar (Gemeenschap). De zaak van de gemeente is dus relatie, waarbij vertrouwen en toewijding belangrijke begrippen vormen. Daarnaast moeten kerken altijd in gesprek met de context blijven, waarbij er voortdurend spanning is tussen openheid en eigenheid. Op basis hiervan werpt Stoppels drie stellingen op over kerk zijn in de huidige veranderende samenleving: “Het evangelie vraagt om duurzame gemeenschap”; “Het evangelie is confronterend”; “Het evangelie is geen fastfood.” (34-36) Stoppels schrijft dat kerken een verandering van de tweede orde, een verandering tot zakelijkheid, voor ogen moeten hebben, waarbij het om de bereidheid gaat telkens opnieuw te zoeken naar wat past en opbouwt. Daarvoor is zuivere discretie, zuivere receptiviteit en creativiteit nodig. Voor een goed verstaan is ook gebed hard nodig. Bij gemeenten kunnen ook de omgang met verschillende remmende factoren, zoals verzet tegen het Evangelie binnen de gemeente, of zogenaamde randvoorwaarden van invloed zijn op de mate van verandering van een gemeente, zoals spirituele diepgang of een veilig klimaat.

De gemeente zelf is volgen Stoppels wel te typeren als organisatie, in acht genomen dat de werkelijkheid veel complexer is. Het beeld van een organisme is dan een goede aanvulling, waarbij het gaat om onderling verbonden en communicerende delen, het gedrag niet primair causaal te verklaren is, evenwicht wordt gezocht (of hersteld), en er wisselwerking is tussen delen en het geheel. Met remmende factoren in het kader van een dieper verstaan en gebed, beschrijft Stoppels het veranderingsproces . Volgens hem begint het met een probleem of een uitdaging,  waarna in de analyse vragen worden gesteld om het probleem helder te krijgen. Vervolgens moet het probleem in verband worden gebracht met een duidelijke visie van de gemeente.  Stoppels laat vele mogelijke manieren zien waarop dit mis kan gaan, zoals onder andere een onduidelijke of te weinig uitdagende visie. Daarna moeten uit de analyse en de visie werkkdoelen geformuleerd worden waarbij ook gevaren opduiken, zoals het nemen van een shortcut van probleem naar het formuleren van doelen, zonder gezonde analyse en reflectie aan de hand van de visie. Door daarna prioriteiten te stellen, wordt de stabiliteit in het proces bewaard. Belangrijke prioriteiten zijn bijvoorbeeld dat het te behappen is voor de gemeente, dat de gaven ervoor beschikbaar zijn, dat mensen met passie en affiniteit beschikbaar zijn, dat het kan aansluiten bij wat al bestaat enz… Op weg naar de uitvoering kom je nu bij het ‘Plan de campagne’, waarin zaken als een draaiboek, een taakverdeling en een tijdschema worden opgesteld. Dan volgt de uitvoering en het proces wordt afgesloten door consolidatie, waarbij de gemaakte veranderingen moeten worden bestendigd en evaluatie. 

In het hele proces van verandering spelen leiders een belangrijke rol. Daarin ziet hij een probleem dat veel voorgangers niet zijn opgeleid als leiders, maar als hermeneuten. Ze kunnen teksten en mensen verstaan, maar ze kunnen niet veranderingsprocessen managen. Hij wil deze spirituele en deze managementdimensie bij elkaar brengen. Gemeenteleiders moeten dus leren managen. Het is voor de gemeenteleider van belang dat hij beseft dat het Gods gemeente is, en niet zijn gemeente. Dit maakt de leider “gelovig ontspannen en ontspannen gelovig” (203) Een gelovige toewijding vanuit het besef geroepen te zijn, moet de leider allereerst navolger maken. Stoppels benadrukt ook het belang van een leider die zich niet laat leiden door resultaten, of de vraag van de gemeente, of zelf centraal te komen staan. Een vraag is namelijk cruciaal voor een leider: “Houd je van Jezus?” Een leider moet ook een goed verstaander zijn, vanuit een liefde voor de gemeente zoals die nu is. Stoppels wijst ook op het gevaar van wat hij noemt “het hulpverlenerssyndroom”. Een leider heeft ontvangen, en moet zich niet laten verleiden in het bieden van hulp vanuit zijn eigen hulpbehoevendheid. Ook  het vermogen tot zelfdifferentiatie is van belang: het vermogen ik te zeggen en tegelijk anderen vast te houden. Een leider moet visie hebben waar het om draait in de gemeente en waar het naar toe moet. Ook is toerusting van belang waarbij elke leider een co-leider heeft die het vak leert. Ten slotte noemt Stoppels nog voordelen van teamleiderschap noemt en dat het belangrijk is om oververantwoordelijkheid tegen te gaan en dat hij een netwerker en geleider moet zijn.

Discussie

Roxburgh heeft, net als Stoppels, oog voor zakelijke managementkant van leider zijn, met de kerk als onderneming, maar ziet juist dat ook deze managementtheorieën gebaseerd zijn op verouderde inzichten. Stoppels wil deze kant samenvoegen met de spirituele kant, maar Roxburgh wil juist de bestaande zakelijke kant bekritiseren. Nauta geeft misschien wel een mooi onderscheid om in deze nieuwe situatie een nieuwe spirituele invulling van leiderschap te kiezen. Hij ziet namelijk voor paulinisch leiderschap als geschikt leiderschap in deze tijd.

Stoppels beschrijft de kerk als organisme, waarbij het zoeken en herstel van het evenwicht een belangrijk kenmerk is. Bij Roxburgh lijkt de ontwikkeling van de samenleving op de ontwikkeling van internet naar een ongecontroleerd gevaarte, waar alle grip op verloren lijkt te zijn. Hij waarschuwt daarom voor een mechanistische benadering van de kerk, gericht op controleerbaarheid en voorspelbaarheid. De manier waarop Stoppels de kerk beschrijft als organisme lijkt een mooie aanvulling te zijn op de analyse van Roxburgh. De beschrijving van Roxburgh van gemeenteleden als ‘katten’ heeft misschien te weinig oog voor de gemeente als geheel. Stoppels heeft dus meer oog voor de complexiteit van de gemeente als geheel, en ondervangt daarmee ook het gevaar waar Roxburgh op wijst dat de gemeente niet voorspelbaar en controleerbaar is.

Oordeel

Stoppels zegt wel dat het voor kerken belangrijk is om in continu gesprek te blijven met de context, in een open eigenheid, maar beschrijft de huidige context zelf maar heel kort. Met enkele losse zinnen zegt hij dat we leven in een veranderende cultuur. Maar hij had wat mij betreft wel een apart hoofdstuk kunnen wijden aan de manier waarop hij de samenleving ziet. Want zijn visie is ook erg cultureel bepaald, zoals hij zelf zegt. Maar in acht genomen dat we leven in een sterk veranderende tijd, kan gemeenteopbouw er over vijf jaar weer heel anders uit zien. Wat dat betreft doet Roxburgh meer recht aan de onzekerheid van de tijd waarin we leven. 

Ironisch vind ik de manier waarop Stoppels komt tot de beschrijving van de kerk als organisme, waarna hij zegt dat hier verassend de metafoor van het Lichaam van Christus opduikt. Dit kom ik tegenwoordig vaker tegen. Dan komen wetenschappers (welke stroming dan ook) dingen tegen, die benoemen ze, en dan zien ze daarna pas dat dit eigenlijk heel Bijbels is. (Een mooi voorbeeld hiervan is hoe Sue Johnson de recente ‘ontdekking’ en het belang van emotionele verbondenheid in volwassen relaties beschrijft. Iets dat nogal obvious is voor de gemiddelde Bijbellezer die de geschiedenis van God en het volk Israel kent. Een ander voorbeeld is de ‘ontdekking’ van de U-theorie over het veranderingsproces van een organisatie. In deze theorie moet de organisatie eerst alles durven verliezen om het leven te behouden, opnieuw op te staan en echt te groeien). Zo vind ik het ook nogal obvious dat het lichaam van Christus een goede metafoor is om de kerk beter te begrijpen, zeker voor een christen die een boek over gemeenteopbouw schrijft. Maar heel interessant is het dat heel veel wetenschappelijke recente ‘ontdekkingen’ op deze manier in verband kunnen worden gebracht met de Bijbel (denk aan pedagogiek, psychologie, sociologie, geschiedenis, politicologie, ethiek, filosofie, maar misschien zelfs harde wetenschappen?), en dat hier m.i. openingen liggen om als christen in deze enorm wetenschappelijk hoogstaande maatschappij een ijzersterk verhaal te vertellen. Het ontbreekt echt aan een theologische totaalvisie op al deze kleine ontdekkingen in de afzonderlijke dimensies in onze samenleving. Wat volgens mij nodig is in de theologie van deze tijd is een standaardwerk Scheppingstheologie van waaruit deze link tussen Bijbel en wetenschap, God en mens, op een verantwoorde manier in elke dimensie van de samenleving gelegd kan worden. Dan durven we misschien ook weer eens de weg andersom te bewandelen. Dat we niet beginnen bij de wetenschap, maar in vertrouwen beginnen bij de Bijbel, en dan vanuit daar de weg bewandelen om deze werkelijkheid beter te begrijpen,  tot een dieper verstaan te komen, met de wetenschappelijke kennis van nu als referentiekader, om tot een handelen te komen waarin de wijsheid en het leiderschap van Jezus weerspiegeld wordt.

Martijn Dreschler – Master Missionaire Gemeente, 10 maart 2015 (Kampen)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: